Agent Daan liep snel door het park, boos omdat een oudere vrouw met haar rolstoel het pad blokkeerde. Hij wilde streng spreken, tot zijn blik viel op haar medaillon.
Zijn stem brak.
Aan datzelfde kettinkje had zijn moeder hem vroeger gezworen dat ze hem ooit zou terugvinden.
De vrouw keek hem aan met trillende lippen.
“Daan?”
Hij zakte op zijn knieën. Alle boosheid verdween. Voor hem zat niet zomaar een onbekende vrouw, maar de moeder die hij al twintig jaar dood waande.
Ze vertelde hem dat ze hem nooit had verlaten. Na een ongeluk was ze haar geheugen kwijtgeraakt, en pas kort geleden had ze zijn naam weer herinnerd.
Daan nam haar hand vast. In het park, tussen vallende bladeren, huilde hij als een kind.
Die avond bracht hij haar naar huis.
Niet naar een verzorgingstehuis.
Naar zijn huis.
En voor het eerst in jaren hing het medaillon niet langer om een verloren hart, maar tussen twee mensen die eindelijk waren teruggevonden.