Om 2:14 ‘s nachts ging de deur van een kleine bakkerij open. Een lange man in een donker pak stapte naar binnen. Iedereen in de stad kende hem. Hij was een machtige maffiabaas, gevreesd door velen.
De jonge bakkerijmedewerkster zag dat zijn gezicht bleek was en dat zijn handen trilden.
«Kan ik u helpen?» vroeg ze zacht.
De man keek naar het brood in de vitrine en fluisterde: «Ik heb al veertien maanden niets gegeten.»
Ze stelde geen vragen. Ze sneed een warm stuk brood af en gaf het aan hem. De man nam voorzichtig een hap. Daarna nog een. Plotseling begonnen er tranen over zijn wangen te lopen.
Hij vertelde dat hij na de dood van zijn vrouw alle vreugde had verloren. Zelfs eten smaakte nergens meer naar.
De jonge vrouw ging tegenover hem zitten en zei: «Soms heeft iemand geen medicijnen nodig, maar een beetje vriendelijkheid.»
De man bleef een tijdje stil. Toen glimlachte hij voor het eerst in meer dan een jaar.
Vanaf die nacht kwam hij elke week terug naar de kleine bakkerij. Niet voor het brood, maar voor het gesprek. Langzaam vond hij weer de kracht om te leven. En hij vergat nooit dat een eenvoudig stuk brood en een vriendelijk hart hem hadden gered.